Categoriearchief: Zegswijzen

“Slech wâter”, zee de reger …

Les excuses sont faites pour s’en servir.

Iedereen kent bovenstaande Franse uitdrukking als ironisch antwoord wanneer iemand zich met allerlei redenen voor zijn falen probeert te verontschuldigen.

Het Hasselts kent hiervoor een prachtige uitdrukking, waarbij eens te meer bewezen is dat een letterlijke vertaling zeker niet altijd de beste is.
“Slech wâter, zee de reger, èn ‘m kos ni zwèmme” (Slecht water, zei de reiger, en hij kon niet zwemmen).

Kepíéd gieëve

Volle gas geven, hard lopen, rijden, fietsen, aan een hoog tempo werken enz.
-“Allè Zjef, mar kepíéd, joeng!”(vooruit, geef alles wat je geven kan)
-“Ve zulle kepíéd meuge gieëve vir op tèèd gedoan te krèège” (we zullen ons moeten haasten om alles tijdig klaar te krijgen)

Er zijn nog enkele gelijkaardige uitdrukkingen waarbij men iets moet “gieëve”:
-“Gaas, petrol gieëve”
en – last but not least – het sublieme:
-“Gief mar garen ondere sare” (geef maar volle gas daar onder de dekens)

Ââníége

Ââníége: aanhogen, aanaarden (van aardappelen)

Wordt soms ook ironisch gezegd tegen iemand die niet erg groot is:
“Zèèt dzjieë wel op tèèd âângehíég gewoare?”
Merk op dat de lange oo in het Nederlandse aanhogen in het Hasselts als een (gerekte) íé klinkt: ââníége.

Stadslíéve

(stadsleeuwen)

Zo ongeveer 50 jaar geleden werden de stadswerklieden vaak als “stadslíéve” betiteld. Als we denken aan de typisch liggende en luie houding van de leeuw, moeten we toegeven dat die benaming niet erg vleiend bedoeld was.

Taalkundig-dialectologisch valt op dat het Nederlandse –eeuw in dit substantief in het Hasselts als –íéf klinkt.
Er zijn nog enkele andere Nederlandse woorden op –eeuw die in het Hessels –íéf worden (-of íéve in de verbogen vorm):
-geschríéf (geschreeuw)
-íéf – íéve (eeuw – eeuwen)
-íévig (eeuwig)
-líéf (leeuw)
-líéfke (leeuwtje; eigenaardig is wel dat men in de verkleinvorm naast “líéfke” ook “líéwke” hoort)
-schríéve (schreeuwen)
-spríéf (spreeuw)
-Zaatlíéf (Zoutleeuw; stadje in Vlaams-Brabant)

Gezegen èn getims

“Dzje zèk mar wèè je’t hèbbe wielt, gezegen of getims” (ironisch antwoord met als betekenis: je zegt maar hoe je het hebben wil).

’n “Tims” is een grote zeef voor meel. “Timse” is het daarvan afgleide werkwoord.

“Gezege” is een zogenaamd pseudo-deelwoord (een deelwoord of participium waarvan de overeenkomstige infinitief – in dit geval dus zoiets als “zèège” – niet bestaat of toch alleszins niet gebruikelijk is.

Dat “gezege” zal wel iets met “zeven” te maken hebben. In de oorspronkelijke 17-eeuwse editie van de Statenbijbel vinden we in Matteüs 23:24 het woord “uitzijgen” in de betekenis van “uitzeven”. Zo zie je maar, ons Hessels kan zelfs bijbelse adelbrieven voorleggen!

Ejmand vir alle hondsgezeeksels lestigvalle

Het werkwoord “zeke” is een vrij plat woord voor “urineren”.
Het is alom bekend dat de (mannelijke) hond tijdens een wandeling niet liever doet dan zo vaak mogelijk tegen zoveel mogelijk voorwerpen te urineren (of – plat gezegd – “te zeke”).

Al die hondenplasjes heten in het Hasselts “hondsgezeeksels”. Overdrachtelijk gebruikt heeft het woord ook de betekenis van “futiliteit”.

Als je een Hasselaar teveel met beuzelarijen lastigvalt, mag je je aan een reactie verwachten in de trant van:
“Dzje mut miech ni keume lestigvalle alle hondsgezeeksels” (val me toch niet steeds bij elke futiliteit – of hondenplasje – lastig)

Schriekschouen

“Schriekschouen” is een prachtig oud-Hasselts woord voor “schaats”.
En “schaatsen” zelf heette dan “schriekschouenrèèn”.

Die “schriek” heeft niets met schrikken te maken. Het is afgeleid van het middeleeuwse werkwoord “schricken”: een grote stap nemen. Men vindt dit verdwenen werkwoord ook terug in “schrikkeljaar”, een jaar dat grote(re) stappen neemt.

We hebben het al elders op deze site gezegd, maar een beetje herhaling kan geen kwaad. De benaming van de Hasseltse schaatsbaan “De Schaverdijn” past niet voor Hasselt. “Schaverdijn” is een – prachtig – streektaalwoord, maar helaas van Brabantse origine. “De Schriekschouen” zou voor een Hasseltse ijsbaan veel adequater en toepasselijker zijn. Welke politicus zet zijn of haar schouders hieronder?

Soech

Soech ès e schóé woard vir èn dezen tèèd van ’t joar te besprieëke. Eñ eefè, “soech” wieërd sertoe ènne wènter gebrèèk:
“Soech soech, ’t ès kaad vandaag!”

’t Straffe van dit wieërdsje (grammattikkââl heet ta “tèssewerrepsel”) ès ta ter an dit – tèssewerrepsel dus – ne verkleningséûtgank bèègezatte kan wieëre: soech -> soechskes.

Bè dieë verkleningséûtgank terbèè kan “soechskes” euch as e bèèvoeglek naamwoard gebrèèk wieëre:
“Brr, ’t ès mar soechskes vandaag”

Dzje zejt ‘t, minse, oas Hessels, da’s nog gi schaarkiekske!

Híédvlèchtig

(e bietsjen âângescheute)

Dit woard kim van:
-“híéd” (kop), da dzje par èkzempel euch nog trèkvènd èn “híédkieës” èn “híédpellef” (“peluw voor een kussen voor 2 personen”);
-vlèchte (va schriek eweglóépe)

Noa e pââr piente begos iech zoe ewa híédvlèchtig te wieëre (“na enkele pintjes werd ik wat licht in mijn hoofd”)

Z’n zon verslèète

Van een minderwaardig individu, iemand waar niets mee aan te vangen valt, wordt soms meewarig en hoofdschuddend gezegd:

Moe slivvenieër z’n zon op verslèt!
(waar Onze-Lieve-Heer zijn zon op verslijt)